Gedichten en verhalen van Theo Monkhorst

Recensie Levenslang: ‘de liefde voor de taal en de poëzie spat er vanaf’

Theo Monkhorst – Levenslang

Een gevoel van ongrijpbaarheid

door Ellis van Atten




Voor mij ligt een verzamelbundel met een selectie van gedichten die Theo Monkhorst (1938) in verschillende periodes in zijn leven heeft geschreven. De titel Levenslang is niet verrassend, maar dekt wel de lading. De eerste gedichten komen uit zijn eerste bundel City of Glass (1960), voorin de bundel staat een recent gedicht uit 2025.

Een ontwikkeling in het werk van een dichter ontdekken is een mooi avontuur, waar ik me als lezer én als dichter graag in begeef. Maar dat avontuur ga ik bij voorkeur aan vanuit mijn eigen perspectief en in alle vrijheid. In deze bundel is de ontwikkeling vastgesteld door Wietse Hummel. Hummel heeft in samenspraak met Monkhorst de selectie van gedichten ingedeeld in drie periodes. In het voorwoord duidt Hummel de periodes; de eerste lyrisch en romantisch, de tweede een overgangsperiode naar realistisch en episch, de laatste realistisch. De periodes worden ook weer ingeleid, waarbij mij pas in het nawoord duidelijk wordt door wie. Het is Hummel, maar in de eerste inleiding las ik deze regel: ‘De taal wordt gebruikt om de afstand tussen mij en de wereld te overbruggen, maar tegelijkertijd blijft er altijd een gevoel van ongrijpbaarheid.’ Hier lijkt Monkhorst zelf te spreken, wat verwarrend voor de lezer. Naast de drie periodes is er een afdeling met niet eerder verschenen werk, een cyclus uit 2023 en een nawoord van Monkhorst zelf.

De eerste periode omvat een grote tijdsspanne, van 1960 tot 2010. Monkhorst heeft langere periodes geen gedichten geschreven. De selectie gedichten uit de bundel City of Glass (1960) zijn zoekend, vragend en verrassen niet, maar zijn passend bij een 22-jarige dichter. Uit ‘hoorde ik een stem?’: ‘(…) ik luister / maar geen gehuil / in deze doodse stilte / ik ben alleen / in deze stad / alleen / tussen de schuivende schaduwen / alleen / met mijn kloppend hart / of / hoorde ik een stem?’

De volgende gedichten zijn van 40 jaar later en meer berustend.

Rondom

Het is mogelijk alleen in een stoel te zitten
tussen een boom, een wandelende kat,
schuin gespiegeld zonlicht,
een kolom van hier naar daar
waar het transparante zwart is —

Het is mogelijk niet te horen
tussen klokgelui, fluitende vogeltjes
en het gebrom van een motor in de verte —

Het is mogelijk te ontbreken

Bovenstaand gedicht komt uit de bundel Poging tot benadering (2000): eenvoudige beelden die niet direct verrassen, maar wat een prachtige wending in de laatste zin, die op zichzelf al een gedicht is.

Zo lang als de eerste periode is, zo kort is de tweede: van 2010 tot 2012. Dit is volgens de duider Hummel, een overgangsperiode van romantiek naar realisme en epiek. Heel duidelijk vind ik die overgang zelf niet. Een enkel gedicht heeft verhalende elementen, zoals in ‘Verloren tijd’: ‘Zo arriveerde ik een uur te vroeg / begreep niemand waarom ik zo laat ging slapen / en ik niet wat verdwenen was / in dat gat in de dag.’ In mijn beleving overheerst het zoekende. Valt dat niet onder lyriek?

In de cyclus ‘Campagne’ worden de beelden concreter. Met een glimlach las ik dit gedicht:

God in Frankrijk

Hij kwam om te sterven
ruggelings op de onmetelijke vlakte
van mijn tafel in Frankrijk,

waarvan hij niet wist
dat het Frankrijk was,
hij vloog maar wat rond
met pijn in zijn vleugeltjes
en landde op mijn tafel,

waarvan hij niet wist,
dat het een tafel was,
een redeloze plaats
om te sterven,

waarvan hij niet wist
dat het sterven was,
even dacht hij te slapen
maar na uren spartelen,

wist hij
dat het martelen was,
kruiste zijn pootjes
en was dood

waarvan hij niet wist
dat het dood was,
zodat hij niet weet waar hij is
op mijn tafel, in Frankrijk,
ergens of nergens.

Daarom schrijf ik hem hier
op papier.
Waarvan hij niet weet.

Onder dit gedicht beschrijft Monkhorst zijn schrijfproces aan de hand van de concrete aanleiding. Onnodig, alhoewel het wel grappig is dat de vlieg de volgende ochtend verdwenen was.

De derde periode is lang, van 2012 tot vandaag. Realistisch zijn de waarnemingen in de Serengeti (Oost-Afrika) uit de bundel Als zand in de plooien van een olifant (2012). Soms wat eenvoudig en herkenbaar: ‘broeder baviaan begrijpt mij niet neef krokodil / koestert zijn gebit / koning Simba die zijn naam ontkent schudt zijn / manen ondoordacht / en de giraf ziet mij niet staan beneden’. Wel is de vorm vrij, Monkhorst neemt de ruimte. Het voorrecht van elke dichter.

In ‘Niet eerder verschenen werk’ en ‘Landwoorden’ zijn uiteenlopende onderwerpen te vinden. In het gedicht ‘Waarom mijn lief in augustus dacht dat ik dronken was’ vielen mij de volgende regels op: ‘Vandaag zag ik in een huis waarin ik woon / kinderen onder bommenregens in Gaza / wachtend op de hongerdood in de bergen van Sinjar’ In het gedicht beschrijft Monkhorst gruwelijke feiten uit de geschiedenis, die zichzelf blijven herhalen – ook tijdens zijn vakantie in Chartres. Blijvend actueel.

Ik heb genoten van de gedichten; het was een reis door een tijd, door een dichtersleven, door experimenten. Het nawoord van Monkhorst heeft me verrast en bevestigde een aantal dingen die ik al dacht. Dat hij zoekende is bijvoorbeeld: ‘Wie dichten serieus neemt twijfelt onvermijdelijk aan de effectiviteit van taal. Dat wat ons als mens uniek maakt, de taal, is in zichzelf onvolmaakt, wat direct op onszelf terugslaat. Het schrijven van gedichten is daarom een blijvend experiment, een zoektocht naar de juiste woorden en naar ons zelf.’

Dat de bundel ook een analyse en een tijdsindeling met duiding bevat, vond ik niet prettig en onnodig. De gedichten kunnen prima op zichzelf staan. Monkhorst schrijft hier zelf over: ‘Uiteraard is zo’n indeling een analyse achteraf en heeft daarom een enigszins academisch karakter.’ Zijn nawoord zou voor mij voldoende sturing zijn geweest, de liefde voor de taal en de poëzie spat er vanaf: ‘Taal is een maîtresse, onmisbaar en onbetrouwbaar.’
____

Theo Monkhorst (2025). Levenslang. Uitgeverij Gopher, 140 blz. € 22,50. ISBN 9789083550763